Het systeem is niet stuk. Het doet precies wat we het vragen.

 

Er is een mail gestuurd in Maastricht. Een gemeentesecretaris schreef aan het college dat het anders moest. Vlak daarna was hij weg. In Twenterand hadden onderzoekers het over “duiken, wegkijken en vluchtgedrag.” In Houten over een “veelkoppig monster.” Bij meerdere ministeries over angstculturen die tot in de directiekamers voelbaar waren. En dan denk je: hoe kan dit toch steeds weer gebeuren? Korte adem-antwoord: het lag aan de mensen. Verkeerde burgemeester, lastige wethouder, niet-passende secretaris, een minister die “nu eenmaal zo is.” Probleem opgelost. Nieuwe namen op het organogram. Volgende casus… Maar dat klopt niet. En diep van binnen weten we dat ook.

 

   Het poppetjesprobleem

Afgelopen weken heb ik een stapel rapporten doorgespit — Maastricht, Twenterand, Houten, Lelystad, Roosendaal, Den Helder, Middelburg, Waternet, Gelderland — en constateert dat we collectief verslaafd zijn aan wat ik ‘poppetjeswisseling’ noemt. De gemeentesecretaris vertrekt “vanwege een verschil van inzicht.” Er komt een reorganisatie. Een nieuw model. Een nieuwe tekening. En dan: rust?

Tot de volgende keer. Want de onderliggende patronen blijven onaangeroerd. Het wantrouwen, de onveilige tegenspraak, de rolverwarring… dat zit niet in de poppetjes, dat zit in het systeem. En het systeem lacht vrolijk door naar de volgende lichting. Het is een beetje zoals die ene collega die altijd problemen heeft met zijn leidinggevende. Zelfs in zijn vijfde baan. Elke keer een andere leidinggevende. Op een gegeven moment moet je je afvragen: wie is hier nu eigenlijk de constante factor?

 

   Wat er écht speelt

De patronen die steeds terugkeren zijn, vrij vertaald: niemand zegt wat hij denkt, iedereen weet alles en de vergadertafels zijn meer therapiesessies zonder therapeut dan plekken waar besluiten vallen. Ambtenaren schrijven adviezen die ze daarna moeten herschrijven tot het politiek bruikbaar is – lees: tot het klopt met wat de wethouder al had besloten. Bestuurders duiken dieper in dossiers omdat ze de ambtelijke lijn niet vertrouwen. Ambtenaren politiseren hun taal omdat ze zich moeten beschermen tegen bestuurlijke grillen. En vervolgens vraagt niemand zich meer af in welke rol hij eigenlijk spreekt.

Er is een term voor het moment waarop dit vastloopt: ‘frame-lock’. De bril waarmee je naar elkaar kijkt zit zo stevig op je neus dat geen enkel tegenargument nog binnenkomt. De bestuurder ‘wist al’ dat de secretaris niet capabel was. De secretaris ‘wist al’ dat het college hem zou offeren. Gelijk. Altijd gelijk. Onweerlegbaar gelijk.

Psycholoog Amy Edmondson noemt de tegenhanger hiervan psychologische veiligheid: de gedeelde overtuiging dat je domme vragen kunt stellen, fouten kunt toegeven en slecht nieuws kunt brengen zonder dat je carrière er een klap van krijgt. Onderzoek laat zien dat teams hiermee beter presteren. Onderzoek laat ook zien dat dit in een groot deel van het Nederlandse openbaar bestuur ver te zoeken is.

Het gevolg? Medewerkers die vluchten, bevriezen of gaan vechten via de vakbond. Middenmanagers die thuis zeggen dat het “nu eenmaal zo werkt in de politiek”, terwijl ze zelf richting een burn-out glijden. Organisaties die verarmen: minder tegenspraak, minder creativiteit, minder integriteit.

 

   Een oncomfortabele gedachte

Hier wordt het ongemakkelijk. Want misschien is de politiek-ambtelijke verhouding helemaal niet stuk. Misschien doet het systeem precies wat we het vragen. Een systeem dat hoge politieke zichtbaarheid combineert met onduidelijke rollen, dat symbolische reorganisaties verkiest boven echte gesprekken en dat weinig ruimte laat voor tegenspraak – wat zou zo’n systeem anders moeten produceren dan verharding, wantrouwen en incidenten die we achteraf ‘ongelukken’ noemen?

De toga’s zijn ingeruild voor pakken, de marmeren zuilen voor het IJspaleis, maar de archetypische rollen zijn verbijsterend constant. De daadkrachtige leider. De loyale adviseur die ook trouw wil zijn aan zijn vak. De boodschapper die het beter niet te eerlijk kan zeggen. De Senaat, elke dag opnieuw…

Systemen veranderen niet door één briljant rapport of één heldere speech. Ze veranderen doordat mensen op cruciale momenten iets anders doen dan de vorige keer. Iemand stelt een vraag in plaats van weg te kijken. Iemand zegt expliciet in welke rol hij spreekt. Iemand zegt “hier stop ik” – niet als verwijt, maar als zorg.

Kleine dingen. Maar het zijn wel de énige dingen die werken.

 

Wil je meer lezen over deze dynamiek? Lees dan het uitgebreidere artikel: ‘Gegrepen door gedoe’