Het is een herkenbaar beeld: een groep veertigers, vijftigers en vroege zestigers, samengekomen in een vergaderzaal. Hun gezichten stralen een mengeling van doorzettingsvermogen en vermoeidheid uit. Ze zijn geen patiënten. Ze zijn professionals, collega’s, daarnaast thuis ouders, ergens vrienden. Maar onder de oppervlakte woedt een strijd. Ze zijn gevormd in een tijd waarin de wereld hard en onverschillig leek en die erfenis laat diepe sporen na.
Als begeleider van teams en directies kom ik dit fenomeen dagelijks tegen. Zo vaak, dat het me begon op te vallen. Het is een generatie die zich in een emotionele woestijn heeft moeten begeven, en nu, in de schaduw van de volwassenheid, begint het zanderige landschap van hun verleden hen te achtervolgen. Het lijkt alsof ze gevangen zitten in een overlevingsmodus die hen belemmert in hun samenwerking. Maar hoe komt dat eigenlijk?
In de tijd waarin deze generatie opgroeide, was de wereld niet zo verbonden als nu. De ouders van deze generatie waren minder gewend over hun gevoelens te spreken. Kinderen moesten vaak hun eigen boontjes doppen. Geen check-in via WhatsApp, geen ouders die na schooltijd vroegen hoe de dag was, want er werd vooral gewerkt. En als er iets gevraagd werd, dan toch even vaak naar de cijfers als naar hoe het was. De boodschap was duidelijk: ‘Doe het zelf’. En dat is wat ze deden.
Die zelfredzaamheid heeft ook een keerzijde. Het heeft geleid tot een leven waarin het vragen om hulp een zeldzaamheid is, kwetsbaarheid het liefst wordt vermeden en waarin emoties met een grap en een grol luchtig en draaglijk worden gehouden of gebagatelliseerd. Deze humor is zichtbaar in hun omgangsvormen, maar het is ook een maskerade. ‘Ik fix het wel’ is een mantra die hen door de jaren heeft geleid. Maar wat als dat niet genoeg is? Wat als die mantra hen niet alleen sterk maakt, maar ook eenzaam? In het hart van deze generatie ligt een onbedwingbare drang naar autonomie, zelfredzaamheid en onafhankelijkheid. Tegelijk heeft die onafhankelijkheid heeft hen ook ver van elkaar verwijderd. En terwijl de wereld is veranderd, zijn de reflexen gebleven.
Wanneer ik met teams werk, zie ik vaak dat deze reflexen in de weg staan van echte samenwerking. Het is alsof ze zich in een schiettent bevinden, waar elke schaduw een risico vormt en in elke opmerking een potentieel conflict schuilt. Het resultaat? Teams die elkaar niet vertrouwen, die hun kwetsbaarheden verbergen en die samenwerkingsmogelijkheden laten liggen. Wanneer ik zo’n groep stilzet, spiegel en het stapelen van taal, meningen en acties doorbreek wordt dat pijnlijk duidelijk. Een oprechte vraag ‘hoe is het nu met jou?’ wordt vlug beantwoord met ‘Oh, gaan we klankschalen doen?’. De vluchtheuvel van de zelfredzaamheid om de pijn van de eenzaamheid niet te voelen. En omgekeerd: de lach van de groep die de schaamte voor de kwetsbaarheid moet behoeden voor ontmaskering. Dit is niet slechts een kwestie van individuele zwakheid. Het is – naar mijn overtuiging – een collectieve dynamiek die voortvloeit uit een generatiegeschiedenis.
Tegelijk is er hoop. De upgrade van die oude reflexen naar nieuwe denk- en handelingspatronen is dankbaar werk. Het is geen kwestie van het verleden verwerpen. Om het los te laten zul je het eerst moeten vastpakken. Aankijken. Je er toe leren verhouden. En het daarna een plek geven waar het geen sluipmoordenaar is, maar je dient als waakhond voor die momenten dat het je kan vloeren. Hoe? Bijvoorbeeld door het herformuleren van de boodschap. Van “ik overleef in mijn eentje” naar “ik blijf competent, maar ik bouw nu ook echte bedding voor mezelf en voor de groep”. Dat betekent het creëren van een omgeving waarin delen, vragen om hulp en het tonen van kwetsbaarheid niet alleen worden toegestaan, maar ook worden aangemoedigd.
Laten we eerlijk zijn: de weg naar verbinding is niet altijd gemakkelijk. Het vraagt moed om je te laten zien, om je defensies af te leggen en om te erkennen dat je niet alleen bent. Maar dat is precies de sleutel tot herstel, zowel op individueel als op teamniveau. Het is de erkenning dat je niet gebroken bent, maar dat je een generatie-script meedraagt dat herschreven kan worden.
De uitdaging ligt in het omarmen van die nieuwe werkelijkheid. Hoe kunnen we een cultuur creëren waarin het oké is om niet altijd oké te zijn? Hoe zorgen we ervoor dat de generaties na ons niet dezelfde of soortgelijke nonstructieve patronen ontwikkelen? Het begint met het erkennen van onze eigen verhalen en het delen daarvan. Het is tijd om de humor niet alleen als een verdedigingsmechanisme te gebruiken, maar als bindmiddel.
Dus, aan de leiders, de teamleden, de ouders en de vrienden: durf te vragen naar elkaars verhalen. Durf te investeren in de bedding die we zo hard nodig hebben. Het kan de basis vormen voor een nieuwe manier van samenwerken. Laten we samen de sprong maken van overleven naar leven, en van onafhankelijkheid naar ontvankelijkheid.
En als je jezelf hierin herkent: wat houdt je tegen om die sprong te maken? Wat is de eerste stap die jij kunt zetten om dat script te herschrijven? Waarmee kom jij vandaag voor de dag?

