“Zo waarlijk helpe mij God almachtig”. Op 16 juli legde Richard de Mos in Den Haag opnieuw de eed af als wethouder. Over zijn plek in de zaal zei hij dat de stoel nog warm was. Een prettige zin. Ook een onmogelijke. Die stoel was zeven jaar lang van iemand anders.
De feiten: In 2019 moest De Mos aftreden toen de Rijksrecherche onderzoek deed naar corruptie. In 2023 sprak de rechtbank hem vrij. In 2024 sprak het hof hem opnieuw vrij van omkoping en veroordeelde hem voor schending van zijn ambtsgeheim. Voorwaardelijke boete: tweeduizend euro. Een bestuursverbod bleef uit. Zijn partij werd bij de laatste verkiezingen de grootste. De raad benoemde hem met zevenendertig stemmen voor en drie tegen deze week tot wethouder.
Deze blog gaat niet over de vraag of dat goed is. Die vraag is al drie keer beantwoord. In de rechtszaal, in het stemhokje en in de raadszaal. De antwoorden liepen uiteen. Mij houdt iets anders bezig. Wat vraagt zo’n terugkeer van alle mensen eromheen?
Water onthoudt
In een rivierenlandschap zie je oude beddingen nog eeuwen later liggen. Aan de begroeiing. Aan de plek waar het na een bui het eerst blank staat. Boeren weten precies waar ze zitten, ook als er al generaties geen water meer doorheen is gegaan. Laat je het water terugkeren, dan wordt het nooit meer wat het was. De bedding is dichtgeslibd. De oevers zijn verzakt. Er zijn intussen andere geulen ontstaan die het water minstens zo aantrekkelijk vindt.
Zo gaat het ook in een stadhuis. Een plek die zeven jaar geleden werd verlaten, is nooit werkelijk leeg geweest. Anderen hebben hem gevuld. Soms formeel, vaker informeel. Er groeiden loyaliteiten, er sleten gewoontes in, er werden verhalen verteld op vrijdagmiddag. Wie terugkeert, komt terug op een plek die dezelfde naam draagt en een andere inhoud heeft. Dat verschil over het hoofd zien is de meest voorspelbare bron van gedoe bij elke comeback, elke herbenoeming, elke fusie waarbij oude bekenden weer aanschuiven.
Drie keer gelijk
Wat deze casus zo interessant maakt, is dat er drie ordeningen tegelijk aan het werk zijn. Alle drie legitiem. En tegelijk alle drie ontoereikend:
De rechtsstaat heeft gesproken. Er ligt een arrest, in twee instanties, dat deels vrijspreekt en deels veroordeelt. De democratie heeft gesproken. Kiezers maakten een partij de grootste. Het bestuur heeft gesproken. Een raad heeft benoemd, tegenstemmen inbegrepen.
Deze drie zijn niet inwisselbaar en daar zit de kneep. Een rechterlijk oordeel ordent de rechtsorde. Over de betrekkingen tussen mensen zegt het niets. Een verkiezingsuitslag ordent de vertegenwoordiging. Over vertrouwen zegt hij niets. Een benoeming ordent de bevoegdheid. Over het gevoel in de gangen zegt zij niets.
De verleiding is nu om één van de drie de andere twee te laten dichttimmeren. De rechter heeft gesproken, dus klaar. De kiezer heeft gesproken, dus stil. De raad heeft benoemd, dus doorlopen. Elk van die zinnen klopt formeel. Elk laat een systeem achter met huiswerk.
De zeven jaren lopen gewoon door
Laten we beginnen bij de ambtenaren. In het IJspaleis lopen mensen rond die destijds dossiers droegen, verklaringen aflegden of een periode kenden waarin ze slecht sliepen. Zij hebben nu een bestuurder. Of ze daar iets van vinden, staat vast. Dat vinden ze. De vraag is of er ergens een plek bestaat waar het gezegd kan worden zonder dat het meteen een politiek feit wordt. Wordt hen die vraag in de eerste weken actief gesteld, door de secretaris of de directie? Of laat iedereen hem beleefd liggen?
Dan de raad. De scherpste vraag op de avond van de benoeming van het nieuwe college ging over informatie. Bij een andere kandidaat wilde de burgemeester de uitkomst van de integriteitsscreening niet delen. “Zo hadden we dat niet afgesproken,” zei hij. Verdedigbaar. Het laat een raad wel achter met een controlerende taak en zonder het materiaal om die uit te voeren. Voor elke toezichthouder is dat een herkenbare knoop. Je moet oordelen over wat je niet mag zien. Het moment om daar afspraken over te maken is nu, in de luwte, terwijl het niet langer over één persoon gaat.
Dan het college. Negen mensen dragen voortaan iets mee dat ze zelf niet hebben meegemaakt. Eén iemand draagt iets mee dat de anderen niet kunnen navoelen. Collegiaal bestuur betekent dat je elkaars geschiedenis erft, ook het deel dat je nooit hebt gekozen. Wordt er gesproken over wat er gebeurt als de eerste journalist belt? Wie antwoordt er dan, en namens wie?
De burgemeester heeft twee petten die schuren. Hoeder van de integriteit én hoeder van de eenheid van het college. Die wijzen zelden dezelfde kant op. Verzoend hoeven ze niet te worden. Hardop benoemd wel.
De stad zelf heeft geen collectief geheugen. Wel collectieve gevoelens. Voor sommige Hagenaars is dit eerherstel. Voor andere is het een klap in het gezicht. Allebei echt. Een gezond systeem laat die twee ervaringen naast elkaar bestaan zonder dat de één de ander tot leugenaar bombardeert.
En dan de ondernemers. Hier zit het gevoeligste punt. De nabijheid tussen bestuur en ondernemend Den Haag was destijds precies het onderwerp van onderzoek. De portefeuille die nu is toebedeeld heet ‘economie’. Dat vraagt iets van beide kanten. Wantrouwen helpt niemand. Vastlegging wel. Wie schrijft op wat er is besproken? Wie ziet dat? Binnen hoeveel dagen? Doodsaai werk. En precies daarom werkt het.
Twee manieren om het mis te laten gaan
De eerste is herhaling. Het proces overdoen in de raadszaal, elk voorstel lezen door de bril van 2019. Dat put uit en levert niets op.
De tweede is amnesie. Doen alsof er niets is gebeurd, omdat erover beginnen onbeleefd voelt. Dat werkt prima tot het eerste incident. Dan komt alles wat is opgespaard er in één keer uit, meestal op het slechtst denkbare moment.
Ertussen ligt een smalle strook. Daar wordt het verleden niet herkauwd en ook niet ontkend. Het krijgt een plek. Meer hoeft het niet.
Onderhoud aan de oever
Wie een rivier terugbrengt in zijn oude bedding, werkt niet aan het water. Water vindt zijn weg altijd. Je werkt aan de oever. Waar hij afkalft, waar hij te steil is, waar het riet is verdwenen. Onopvallend werk. Het haalt de krant nooit. Het bepaalt wel of het volgende hoogwater schade aanricht of gewoon voorbijstroomt. En – eerlijk is eerlijk – oevers kanaliseren hoogwater, maar een dijkdoorbraak houden ze niet tegen. Wie werkelijk kwaad wil, laat zich niet stuiten door een gespreksverslag.
De vraag voor Den Haag is dus niet wat men van deze wethouder vindt. Dat is beantwoord, meerdere keren, verschillend. De vraag is of de oevers op orde zijn. Dat is werk voor de hele stad. Het begint, zoals altijd, met gesprekken waar niemand zin in heeft. Tegelijk zijn het de gesprekken die het water weer in beweging brengen. Stilstaand water raakt zijn zuurstof kwijt. Stromend water haalt het onderweg vanzelf op.

